De rest is verbeelding, ontsproten aan de geest van schrijvers, dichters, schilders en andere fantasten. Maar welke prachtige visioenen er in de voorbije eeuwen ook van het paradijs zijn opgeroepen, een ding is zeker: Adam stond er niet de buxushagen te snoeien. Noch liep hij met een meetlint rond om de hof in perfecte geometrische figuren te verdelen.Toch wisten zeventiende-eeuwers zeker dat zij door dit nijvere meet- en snoeiwerk dichter bij God en het paradijs kwamen. Was dat per slot ook niet het enige wat Adam en Eva deden, een beetje tuinieren? (Genesis 2-15: 'En de Here nam den mens en plaatste hem in de hof van Eden om dien te bewerken en te bewaren.') En was het woord 'paradijs' niet afgeleid van het Oudperzische 'pairidaeza', dat 'omheining' of 'ommuurde tuin' betekent?De zeventiende-eeuwer twijfelde er niet aan: buiten de omheining van de tuin was de natuur woest, onbeheersbaar en doorgaans niet te genieten. Bos en gebergte waren het domein van barbaren, rovers en ander gespuis. Maar binnen het hek, in de tuin, kon de natuur geordend en vervolmaakt worden. Daar kon het paradijs in ere worden hersteld: met keurig geknipte heggen, kaarsrechte lanen en symmetrische vlakken. Precies zoals de in de Renaissance alom bewonderde en nagevolgde klassieke auteurs het hadden voorgeschreven.Mocht het resultaat tegenvallen, omdat de rozen onverwacht hun kop lieten hangen of de exotische planten de import niet overleefden, dan was er altijd nog de teken- en schilderkunst. De schilderijen en prenten op de expositie Aardse paradijzen, de tuin in de Nederlandse kunst van de 15 de tot en met de 18 de eeuw - vanaf deze week in het Noordbrabants museum in 's Hertogenbosch - geven een ideaalbeeld: ze laten zien hoe men zich de tuin in het beste geval voorstelde.De schilderijen en prenten, voor het grootste gedeelte uit de zeventiende eeuw, zijn de dromen van de doe-het-zelver. Ze bieden het ultieme uitzicht op de eigen schepping, onder ideale weersomstandigheden. Uit de hele zeventiende- en achttiende eeuw is geen enkel tuin-schilderij bekend waarop het regent of sneeuwt. Nooit treft men er dode bomen, verwelkte bloemen, doorgeschoten buxushagen, onkruid of andere tuinders-nachtmerries aan. De schilders en tekenaars gaven een beeld van het landgoed zoals de trotse eigenaar en opdrachtgever het graag zag: een omheinde heerlijkheid, gelegen in een landelijke omgeving, ver weg van de drukke stad (die, om de tegenstelling aan te geven, vaak aan de horizon te zien is). Niets is onmogelijk. Tropische vogels houden van Holland; zeilen in een vijver is heel gewoon.De expositie - die net als het bijbehorende boek is samengesteld door de kunsthistorici Erik de Jong en Marleen Dominicus-van Soest - is door Ward Schrijver ingericht als een formele zeventiende-eeuwse tuin, compleet met een overdekte loofgang en prieeltjes. De bezoeker wandelt langs drie duidelijke thema's: de tuin in vogelvlucht, de tuin als ruimtelijke ordening en de tuin als motief.Bij het vogelvlucht-perspectief heeft de schilder een fictieve, hoge positie ingenomen en kijkt hij als God over het landgoed uit. Hij ziet àlles. De kennis van het perspectief en de cartografie stellen hem in staat de kleinste details weer te geven: beeldengroepen, fonteinen, wandelaars en nep-grotten.Op het schilderij De hofsteden Vlietzorg en Zorgvliet aan het Buiten-Spaarne bij Haarlem van een anonieme zeventiende-eeuwse schilder zien we een man wegspringen voor een blijkbaar 'spontaan' spuitende fontein - in maniëristische tuinen was men dol op dit soort van 'bedriegertjes'. De bomen zijn fantasievol getrimd. Klimplanten groeien tegen houten pilaren op. Het zijn zoekplaatjes, deze schilderijen. Achter elke heg is iets nieuws te ontdekken. Alleen over het huis kijk je zo heen: dat is vergeleken bij de tuin opvallend klein van omvang.Imposant is ook de Vogelvlucht van de Heemstede van Daniël Stoopendaal uit 1700: een gravure van het landgoed bij Houten met ideale geometrische verhoudingen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het landgoed er werkelijk zo uitzag. Het kasteel staat op de hoofdas, in een perfect symmetrische wereld. Geen boom in het landschap eromheen verstoort het evenwicht. De hoofdas loopt door tot aan de horizon. De invloed en macht van de eigenaar houden duidelijk niet op bij het tuinhek.De formele tuin was een klassiek ideaal, zoals verwoord door de Romeinse schrijver en bouwmeester Vitruvius en opnieuw geformuleerd door onder anderen de invloedrijke Italiaanse humanist Leon Battista Alberti. Alleen in de 'beredeneerde schoonheid' van cirkels, vierkanten, symmetrische vlakken en rechte lijnen kon volgens Alberti harmonie worden bereikt. Of zoals de zeventiende-eeuwse dichter J. A. van Orsoy bewonderend uitriep: 'Dit bosch is wondernet, geen boom noch struik is hier oneven ingezet.'De expositie toont een groot aantal schilderijen en prenten waarop burgers in hun lineaire paradijs poseren. Naast het vogelvlucht- was een ander perspectief populair, dat van de kijkdoos,