Volgens een oud \laams spreekwoord ‘kent men de klok aan haar galm’, Ook letterlijk, Iedereen hoort haat, bewust of onbewust, op vaste tijdstip= pen van de week. Haar monotoonetepetitief karakter, dat ooit werd ouwehreven als un langage aussi clair d'amour, de joie ou d'espérance, tracht steeds opnieuw de gemeenschap gevoelig te maken voor de godsclienst en het mysterie van leven en dood, Niet voor niets poneert een oud-Frans gezegde: La cloche est le prrmier et le dernier ménêtrier de la vie. Vroeger kenden de mensen de Mok bovennatuurhijke krachten toe. Ze werd behandeld als een echt levend wezen waar men naar luisterde en waar men letterlijk en figuurlijk naar opkeek, Hoog in een toren moest zij door haar gelui, alleen of in ‘akkoord’ met andere hlokken, de mensen opreepen tot bezinning, hen vrijwaren van onheil en hen wijzen op hun rechten en hun plichten. Het merkwaardige oudFranse opschrift van de grote klok (P. vanden Ghein, 1547 in 1967 hergoten door Pent & Fritsen) van de Sint-Gorikskerk in ’s-Gravenbrakel (Braine-leComte) laat hierover geen twijfel bestaan: Pour grace divine implorer/ Pour servir au rive ou pleure/ Pour over et erorter/ Et atraire toute personne! Pour esmouvoir et inciter/ Excitar el cater/ À faire toute wuvre bonne/ On me triboulle, tire et sonne/ Dont j'ensonne et resonne/ El de ressonner est mon faict./ Au service de Dieu, je donne/ F'habandonne et ordonne/ Le tout ce qut de moi est faict/ Le mien nom Maxellende est/ Qui fut faicte et parfaicte. De oude uur-brandklok (J. Bodri, 1606) van het belfort in Sint-Truiden diende, volgens haar opschrift: om te doene myn werck/ sonder my te sparen van condighen /ore* vier? alarm/ By nachte en daghen/ Nae dat my den hamer sal gheven/ yn sware slaghen. Klokken werden strategisch opgesteld. In de middeleeuwen hingen de belangrijkste veelal in het belfort (Fr. beffroù; Eng. belfry; Du. Belfried), een versterkte toren waarin ook de stadswapens en de plaatselijke keuren werden bewaard. | Daardoor werd het belfort met zijn klokken een zinnebeeld van vrijheid en macht. Bekende belforten staan in Aalst, Bergen, Brugge, Doornik, Gent, Ieper, | Kortrijk en Lier. Beroemde klokken zijn de Gentse Klokke Roeland (1314), de Ant| werpse Orida, ‘de Verschrikkelijke’, (1316) en de Doornikse Banclogue (1392). Ì Naarmate de 14de eeuw verstreek steeg ook het sociaal aanzien van de klokken, en van de torens waarin ze hingen. Vele torens werden uitgerust met grote uurwerken, waaraan klokken werden gekoppeld die voor de uurslag een korte kenwijs (herkenningsmelodie) lieten horen: Mechelen (1372), Gent (1376), Ieper (1378), Leuven en Brussel (1381), Bergen (1382). De ‘voorslag’ (Fr. ritournelle; Eng. hourbell-warning; Du. Vorschlag) want zo heette dit bescheiden klokkenspel met zijn kenwijs is een typisch produkt van en voor de rijke Zuidnederlandse vrijsteden. Bovendien is hij de directe voorloper van de beiaard (Fr., Eng. carillon; Du. Glockenspiel) zoals wij die vandaag kennen. De artistieke { en economische opgang die Vlaanderen in de 16de eeuw kende, heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de verspreiding van de voorslag en de uitbreiding ervan tot een volwaardig muziekinstrument, dat aanvankelijk met hamers en vanaf de 16de eeuw met het nog steeds gangbare stokkenklavier werd bespeeld. Ook de Europees toonaangevende Vlaamse muziekcultuur van die tijd heeft de instrumentenbouw sterk bevorderd, Was Antwerpen het centrum van de orgelen klavecimbelbouw, Mechelen werd het Mekka van de klokkenen beiaardkunst. Indrukwekkende kerken andere gebouwen met hun kleurrijke glasramen, schilderijen, wandtapijten en vele andere kostbaarheden werden voorzien van fraai klinkende klokkenspellen. In de 17de eeuw hingen er in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwetoren, zoals vandaag nog in de Mechelse Sint= Romboutstoren het geval is, twee beiaarden. Niets was groot, mooi of goed genoeg om de macht, de rijkdom en het prestige van de vaak rivaliserende ste= den te etaleren. Leden van de Mechelse klokkengietersfamities Waghevens en Vanden Ghein oogstten met hun klokken en beiaarden overal veel succes.. Het klokkengieten Jacques Sergeys e klok is een slaginstrument. Ze wordt aangeslagen door een klepel of een hamer. De klank is afhankelijk van vorm en materie, maar in dit bestek | zullen we het vooral hebben over bronzen klokken, vervaardigd uit een legering van koper en tn. De eerste klokken zijn terug te vinden in China rond 2000 v. Chr. Daarna verschijnen ze bij de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen. In onze streken worden ze bekend vanaf ongeveer de 4de-5de eeuw na Chr. De klok is in wezen een communicatiemiddel dat het nitme van de tijd aangeeft, de reizigers leidt, de bevolking waarschuwt voor brand en andere gevaren, de gelovigen tot de eredienst oproept. Daarom gaven de eerste christenen de klok de naam signum (signaal). Klokken werden in West-Europa aanvankelijk gemaakt door monniken, later, met name in Lotharingen, door rondreizende gieters. Na de ontwikkeling van een be