In de twintigste eeuw zijn tot nu toe twee theorieën ontwikkeld die een revolutie in het wetenschappelijk denken hebben veroorzaakt: de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Nu is er een derde: chaos. Het onderzoeksgebied is het toeval, de onvoorspelbaarheid, het raadselachtige; diepgaande bestuderìng leidt tot het inzicht dat ook in de chaos orde schuilt. De wetenschap van de chaos overschrijdt de traditionele grenzen van verschillende disciplines en verbindt diverse soorten onregelmatigheid die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben: de turbulentie van het weer met de ingewikkelde ritmes van het hart, de patronen van sneeuwvlokken met de structuren in woestijnzand. De aard van de wetenschap van de chaos is wiskundig, maar de vragen die gesteld worden zijn die waarover elk kind nadenkt: over de vorm van de wolk, over het opkringelen van rook en over het kolken van het water. De wetenschapsjournalist James Gleick beschrijft in Chaos de ontwikkeling van deze nieuwe wetenschap aan de hand van de persoonlijke ervaringen en ontdekkingen van drie geleerden. Het gaat om Edward Lorenz, die het zogenaamde vlindereffect ontdekte, dat ten grondslag ligt aan de onvoorspelbaarheid van het weer. Om Mitchell Feigenbaum, die een universele constante berekende. En om Benoit Mandelbrot met zijn ‘fractals’, die de willekeur van de vormen in de natuur geometrisch bepalen. ‘Zonder in technisch jargon te vervallen, weet Gleick de essentie van de wetenschappelijke ontwikkeling ook voor de leek duidelijk te maken. (…) Voor specialist en niet-specialist is Chaos van James Gleick een boek om in één ruk uit te lezen? De politie van het stadje Los Alamos in New Mexico maakte zich in 1074 korte tijd zorgen over een man die men elke nacht in het donker zag rondlopen, de rode gloed van zijn sigaret oplichtend in de achterafsteegjes. Hij stapte uren door op weg naar nergens bij het licht van de sterren dat fel door de dunne lucht van het tafelland schijnt. De politie was niet de enige die verbaasd was. Bij het nationale laboratorium waren een paar natuurkundigen erachter gekomen dat hun nieuwste collega aan het experimenteren was met dagen van zesentwintig uur, wat betekende dat zijn waak-en-slaapperiode langzaam in en uit fase met die van hen liep. Dat begon toch wel een beetje vreemd te worden, zelfs voor de theoretische afdeling. In de dertig jaar nadat J. Robert Oppenheimer dit onaardse landschap van New Mexico voor het atoombomproject had uitgekozen, had het nationale laboratorium van Los Alamos zich uitgebreid over het oppervlak van het troosteloze tafelland door er deeltjesversnellers, gaslasers en chemische fabrieken neer te zetten, duizenden wetenschappers, administratieve krachten en technici, en bovendien een van de grootste concentraties supercomputers ter wereld. Een paar van de oudere wetenschappers herinnerden zich de houten gebouwen die in de jaren veertig razendsnel in het landschap opschoten, maar voor het grootste deel van de staf van Los Alamos, jonge mannen en vrouwen met corduroy broeken in collegestijl en werkhemden, waren de eerste bommenmakers alleen maar geesten uit het verleden. De plaats in het laboratorium voor het zuiverste denkwerk was de theoretische afdeling, die bekendstond als de T-afdeling, zoals de computerafdeling de C-afdeling was en de afdeling wapens de Xafdeling. Bij de T-afdeling werkten meer dan honderd wisen natuurkundigen, goed betaald en zonder de academische verplichting om les te geven en te publiceren. Deze wetenschappers wisten wat briljant-zijn en excentriciteit waren. Er moest heel wat gebeuren, voordat ze zich over lets verbaasden. Maar Mitchell Feigenbaum was een geval apart. Er stond precies één gepubliceerd artikel op zijn naam en hij werkte aan niets dat ook maar veelbelovend leek. Zijn haar bestond uit ruige manen die van zijn brede voorhoofd achterover waren gekamd zoals bij de borstbeeldjes van Duitse componisten. Zijn ogen waren beweeglijk en geestdriftig. Wanneer hij sprak, altijd snel, had hij de neiging lid- en voornaamwoorden weg te laten op een lichtelijk Middeneuropees aandoende manier, hoewel hij m Brooklyn was geboren. Als hij werkte, werkte hij geobsedeerd. Als hij uiet kon werken, wandelde hij en dacht na, of het nu dag of nacht was, maar de nacht was het beste. Een dag van vierentwintig uur leek te heperkend. Niettemin kwam er een cind aan zijn experiment met persoon: lijke pseudo-periodieiteit, toen hij besloot dat hij er niet meer tegen kon om bij zonsondergang wakker te worden, wat om de paar dagen moest gebeuren. Op negenentwintigjarigce leeftijd was hij al de geleerde onder de geleerden geworden, een ad hoc adviseur, naar wie wetenschappers toestapten met willekeurig welk extra onhandelbaar vraagstuk, als ze hem konden vinden tenminste. Op een avond kwam hij op zijn werk, toen de directeur van het laboratorium, Harold Agnew, net weg zou gaan. Agnew was een krachtige figuur, een van de oorspronkelijke leerlingen van Oppenheimer.