Reeds Plato’s Staat! heeft als uitgangspunt dat de meeste mensen streven naar het verwerven en behouden van goederen. Deze mensen worden in de Staat aangeduid als ‘chrematisten’. Idealiter zouden chrematisten geen politieke macht mogen hebben in de staat; politieke macht zou voorbehouden moeten zijn aan ‘wachters’, personen die zelf volstrekt afzien van de op verwerving van goederen gerichte activiteiten der chrematisten. Realiter zijn de wachters wereldwijd nog steeds in de minderheid, ook onder politici. De chrematisten daarentegen hebben gezelschap gekregen van gelijkgezinde, niet-menselijke rechtssubjecten: rechtspersonen als provincies en gemeenten, naamloze en besloten vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Ook zij trachten in meerderheid goederen te verwerven. Gelet op de evidente behoefte van personen aan goederen en ook de rechtseconomisch onderkende functionaliteit van verdeling van goederen” zijn rechtsregels daaromtrent nodig. Meer in het bijzonder zijn regels nodig over de rechtsposities met betrekking tot goederen en mutaties daarin. Die regels geeft het goederenrecht. De term ‘goederen’ is naar huidig recht de verzamelnaam voor zaken (dat wil naar huidig recht zeggen: stoffelijke vermogensobjecten) en vermogensrechten (zie voor deze terminologie nader 1.3). Relevante rechtsposities ten opzichte van goederen zijn naar Nederlands recht bezit, houderschap, bewind, eigendom en overig toebehoren (zoals de ‘eigendom’ van een vordering, waarover later meer). Helaas verschilt het goederenrecht van land tot land enorm, ook binnen ‘Civil law countries’ (de landen met een sterk door het Romeins recht beïnvloed rechtssysteem), zoals het onze. Uniformering op Europees niveau lijkt zelfs voor deelgebieden van enige importantie vooralsnog een utopie.® l Waarover m.n. J.F.M. Arends, Die Einheit der Polis, Eine Studie über Platons Staat, diss. Leiden, Leiden 1988. 2 Zie bijv. A. Nentjes, Elementaire rechtseconomie, Groningen 1993, p. 9 e.v. 3 Zie ook Hondius, preadvies p. 6 e.v, i.h.b. p. 11 en Gerard-René de Groot en Steven Bartels, AA 1994 p. 321 e.v. Op lange termijn staan de sterren voor uniformering wellicht gunstiger. Tenslotte heeft het Europees Parlement niet voor niets een resolutie aangenomen die verlangt dat een begin gemaakt wordt met een Europees wetboek van privaatrecht”. 2. Relatie persoon-goed centraal In het goederenrecht staat de relatie persoon-goed centraal, anders dan in het verbintenissenrecht, dat gericht is op de verhouding persoon-persoon. De uitspraak ‘A is eigenaresse van een tennisbaan’ is een goederenrechte. lijke bewering. Zij heeft betrekking op de relatie A-goed. ‘A heeft de tennisbaan van B gekocht, maar nog niet betaald’ duidt daarentegen op een verbintenisrechtelijke bewering. Zij ziet op de relatie A-B. Wie beweert dat de term goederenrecht niet adequaat is omdat deze mede het verbintenissenrecht zou omvatten, aangezien rechten uit hoofde van verbintenissen toch ook goederen zijn, miskent dat het gaat om een verschil in optiek tussen goederenrecht en verbintenissenrecht. Dat blijkt bij voorbeeld als V, verkoper, zijn vordering tot betaling van de koopprijs op K, koper, overdraagt aan OO. De relatie tussen V en K is van verbintenisrechtelijke aard, de rechtspositie van V respectievelijk O ten opzichte van de koopprijsvordering is goederenrechtelijk van aard: voorafgaande aan de overdracht behoort de vordering aan V toe, na de overdracht aan O. De overdracht zelf als instrument voor mutatie van de goederenrechtelijke verhoudingen — O is door de overdracht voortaan rechthebbende op de vordering — vormt eveneens een goederenrechtelijk onderwerp. Of V jegens O op grond van een overeenkomst verplicht is tot die overdracht, is daarentegen weer een onderwerp van verbintenissenrecht.® 3. Meer dan traditie De optiek van het goederenrecht is meer dan een kwestie van traditie. Daar waar het gaat om de relatie persoon-goed, zijn telkens rechten aan de orde die een bepaalde persoon op een bepaald goed kan doen gelden en daarmee rechten die hij in beginsel tegenover een ieder kan handhaven (absoluterechten). Die absolute werking of derdenwerking is kenmerkend voor goederenrechtelijke rechten. Bij het verbintenissenrecht, dat ziet op de ) relatie persoon-persoon, gaat het om rechten die de ene persoon in beginsel uitsluitend tegenover de andere persoon kan inroepen (relatieve/persoonlijke rechten). Dit belangwekkend verschil komt nader aan de orde in 1.4. Zo is de rechtspositie van A als bruiklener van een auto zwakker dan die van de eigenaar van een auto. A kan wel aanspraken op genot ontlenen aan zijn bruikleengever, B, maar zou B de auto verkopen en leveren aan C, dan heeft C in beginsel niets met de bruikleenovereenkomst A-B te maken, Als eigenaar kan C zijn recht jegens een ieder handhaven en de zaak dus ook van A opeisen. Was A vruchtgebruiker geweest — vruchtgebruik is een goederenrechtelijk recht op een goed — dan had hij dat vruchtgebruik in beginsel wel tegenover een