Jiddu Krishnamurti overleed op 17 februari 1986, negentig jaar oud. Op die dag verloor de wereld een van haar meest opmerkelijke figuren. Krishnamurti stond bekend als een onafhankelijk denker, een bijzonder mens die zijn eigen weg ging en geen volgelingen wilde. Het was zijn overtuiging dat alleen in een volledig innerlijke verandering vanuit onszelf een verandering zal ontstaan in de maatschappij. Dat proces kan je niet zelf doen in afhankelijkheid van een Meester. Het eerste deel van zijn leven wordt in dit boek beschreven. Het kwam tot stand met Krishnamurti's volledige medewerking en geeft voor de eerste maal het complete verhaal over zijn vroegere levensjaren. Mary Lutyens, die hem als geen ander heeft gekend en meegemaakt, beschrijft zijn jeugd in India, zijn ontdekking als de toekomstige messias door Leadbeater, zijn opvoeding in Engeland door de leiders van de Theosofische Vereniging en zijn optreden als de grote wereldleraar. Daartoe was hij ondermeer aanwezig op sterkampen in Ommen. Dan, op 3 augustus 1929, volgt de radicale ommezwaai: bij ontbindt de orde van de Ster en breekt met de Theosofische Vereniging. Het verhaal ontvouwt zich voor een belangrijk deel aan de hand van Krishnamurti's eigen geschreven en nooit eerder gepubliceerde brieven, geeft zijn eigen verslag aangevuld met dat van zijn broer - over zijn mystieke ervaring, die het keerpunt werd in zijn ontwikkeling. Deze verslagen uit 1922, het jaar van deze ervaringen, waren tot nu toe slechts bekend aan enkele mensen. Eindelijk heeft Krishnamurti thans toestemming gegeven deze te publiceren. Vele van de openbaringen uit dit boek zullen wellicht als een verrassing, zelfs als een schok worden ervaren door hen die Krishnamurti's leringen slechts kennen sedert de publikatie van 'The First and Last Freedom' (Vrijheid van het bekende) in 1954. Want in dit boek ontmoeten we de menselijke kant van de jonge man - met zijn liefde voor vermaak, met zijn sterke affecties, zijn ontroerende relaties tot anderen, zijn twijfel en moeilijkheden, worstelingen en opstandigheid voordat hij zijn eigen zekerheid gevonden had. Dit verslag van de eerste achtendertig levensjaren van Krishnamurti werd op grond van zijn eigen suggestie en met zijn volledige medewerking geschreven. Desondanks ben ik bij het schrijven van dit relaas volkomen vrij gelaten; ik hoefde aan niemand verantwoording af te leggen en noch Krishnamurti noch een van zijn naaste verwanten heeft verzocht of is gevraagd de inhoud te beoordelen. Het verhaal draagt dan ook een sterk persoonlijk stempel. Het geeft een beschrijving van zijn merkwaardige opvoeding en de vele ontwikkelingsfasen die hij doormaakte — zijn persoonlijke problemen, twijfels, depressies, persoonlijke relaties en tenslotte het proces van geestelijk ontwaken en de daaropvolgende jaren van intens fysiek lijden. In de eerste plaats is getracht een beeld te geven van de omstandigheden, waaronder Krishnamurti’s leer zich ontwikkelde en aan de hand daarvan wordt getracht duidelijk naar voren te laten komen, wat voor een grote inspanningen hij zich heeft moeten getroosten om zich tenslotte los te maken uit de greep van al die mensen die hem de rol van uitverkoren Wereldleraar trachtten op te dringen. Aanvankelijk had Krishnamurti de heer B. Shiva Rao, die vele jaren lid is geweest van het Indiase parlement en die hem buitengewoon goed kent, gevraagd dit boek te schrijven. De heer Shiva Rao nam de opdracht aan en begon met het verzamelen en ordenen van een grote hoeveelheid documentatie. Zijn steeds slechter wordend gezichtsvermogen verhinderde hem echter hieruit tenslotte een boek te distilleren. Op grond hiervan kwamen wij overeen dat ik het boek zou schrijven en de heer Shiva Rao, die reeds vijftig jaar lang tot mijn beste vrienden behoort, heeft mij met de grootste bereidwilligheid al zijn documentatie afgestaan. Sindsdien is er de afgelopen twee jaar geen maand voorbijgegaan, waarin hij mij niet vanuit India de nodige informatie verschafte over de talloze vragen waarmee ik mij tot hem richtte, Ik kan mij niet voorstellen, dat twee schrijvers ooit prettiger hebben samengewerkt. De reden waarom ik mij in staat acht een dergelijk werk op mij te nemen is, dat ik Krishnamurti reeds vanaf 1911, toen ik zelf nog maar drie jaar oud was, ken en van 1922 tot 1929 persoonlijk betrokken ben geweest bij de vele gebeurtenissen die in dit bock beschreven worden. Bovendien speelde ik de laatste drie van bovengenoemde jaren een belangrijke rol in Krishnamurti's leven. Hoewel ik hem de daaropvolgende jaren nog maar weinig zag, heeft deze scheiding geen einde gemaakt aan onze vriendschap. Dit verslag is ongetwijfeld persoonlijker van aard dan de heer Shiva Rao het geschreven zou hebben. Dit neemt echter niet weg dat wij het over de wijze waarop Krishnamurti’s levensloop diende te worden weergegeven steeds eens zijn geweest; het diende zoveel mogelijk gestalte te krijgen aan de hand van woorden die aan de hoofdpersonen zelf ontleend waren. Daar he