In deze vertelling volgen we, tussen alle landelijke, regionale en plaatselijke historische informatie door, drie lijnen van families, die in de Over Betuwe wonen en werken van omstreeks het jaar 1750 tot ongeveer de eeuwwisseling naar de twintigste eeuw. Een tijdperk waarin het leven van de “gewone mens” ingrijpend verandert en die het begin is van de omvorming naar de levenswijze van de huidige tijd. Hoe vergaat het elk der drie families en wat gebeurt er rondom hen. De drie stamvaders van de families, hoewel alle drie in de landbouw werkzaam, zijn nogal verschillend van niveau. De eerste, Hannes Vesterik, een arbeider, die vanuit het arme Limburg, toen Pruisisch, zijn geluk in het rijkere Betuwse land komt zoeken. De tweede, Jan Hermsen, een zogenaamde keuterboer, zoon van een tabakker uit het armenhuis, die zich opwerkt tot zelfstandig tabaksplanter en de derde, Jacobus van den Bosch, een grote boer met veel grond en hoog aanzien, behorend tot de elite van het dorp. Honderdvijftig jaar later is de levensstandaard van elk der families, soms ingrijpend, veranderd. Er ontstaat vanaf ongeveer 1850 steeds meer handel en bedrijvigheid, kansen voor ondernemende pioniers. Vermogend worden wordt voor de “gewone mens” mogelijk. Het is niet voor iedereen weggelegd, slechts een enkeling overkomt het, maar toch, het kan. Iets wat eeuwen daarvoor niet mogelijk was geweest. Het nageslacht van onze stamvaders zal soms leven in armoe, maar zal ook rijkdom ervaren. Naast rechtszaken, ter dood veroordeling, dorpse onenigheden, gemeentelijke wetgeving, geloof en kerk, handel en ondernemen, menselijk leed, landelijke en regionale ontwikkelingen uit deze tijd, is de rode draad van de vertelling vooral het leven van de families. Als zodanig is het wellicht te lezen als een roman met een geschiedkundig gehalte. De families leven in één land, in één dorp, maar in verschillende staten. Het begint in het door de adel gedomineerde tijdperk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, daarvan bevrijd, gevolgd door de Bataafse Republiek, Het Koninkrijk Holland, een Franse provincie en tenslotte Het Koninkrijk der Nederlanden. Het verhaal speelt in kleine dorpen, dorpen die model kunnen staan voor vele andere dorpen in ons land uit die tijd. De familiegeschiedenissen zouden ook in andere regio’s gespeeld kunnen hebben. Wat beleeft de “gewone mens” en wat gebeurt er rondom die “gewone mens”? Hoe ervaart of gebruikt die mens de nieuwe uitvindingen en hoe probeert de plaatselijke overheid de kleine zaken van het leven bij wet te regelen? Het is geen wetenschappelijk werk, maar het probeert een luchtig verhaal te zijn over de kleine en grotere dingen in het leven van de “gewone mens” in de achttiende en negentiende eeuw.