Bij het schrijven van zijn boek heeft Jean Palaiseul talrijke botanische werken van artsen en kruidkundigen geraadpleegd: vanaf enkele eeuwen vóór Christus tot heden. Markante uitspraken en recepten van bijvoorbeeld Hippocrates, Dioscorides, Galenus, Avicenna en Matthiolus worden door hem even vaak geciteerd als die van eigentijdse Franse deskundigen op dit gebied als Besangon, Binet, Cazin en Leclerc. Vele van Palaiseuls landgenoten zijn in Nederland onbekend, in Frankrijk echter genieten zij een grote reputatie. Belangrijker dan hun namen zijn voor ons hun adviezen voor het gebruik van blaadjes, bloemen, vruchten en wortels in aftreksels, afkooksels, theeën, wijnen, tincturen, siropen, smeersels en papjes.
Achter in het boek vindt u een hoofdstukje met gegevens over bekende artsen en kruidkundigen uit de historie. De Franse tijdgenoten vindt u - met hun werken = terug ín de bibliografie.
Tot slot nog dit: De Latijnse botanische namen en hun Nederlandse vertaling zijn ontleend aan ‘Thieme's flora in kleuren’ (W.J.Thieme, Zutphen); de vindplaatsen in Nederland zijn eveneens afkomstig uit dit werk. Eigenlijk begon ik aan dit boek in een periode waarin ik voor het eerst het gevoel had écht te leven; dat is nu al vele jaren geleden. Ik dacht er toen echter geen ogenblik aan dat het ooit gepubliceerd zou worden; ik noteerde allerlei gedachten, overpeinzingen, zo maar losjes weg, ogenschijnlijk zonder enig verband, om mij te helpen een weg te vinden in ons nieuwe bestaan - voor mijn vrouw, mijn hond en mijzelf. Want nieuw en vreemd was het wel, na dertig jaar ‘dwangarbeid’ in Parijs, ver weg in Auvergne te leven, in een eenzame, oude watermolen in een afgelegen groen dal. We hoorden slechts de eeuwenoude geluiden der natuur, het gezang van de vogels, wisselend met de seizoenen, het getsjirp van de krekels, het suizelen van de wind in het voorjaar en het gieren door de kale elzen en populieren in de winter, het koele kabbelen van de rivier langs onze molen en het kolkende bruisen bij hoog water. Slechts af en toe werd de rust verstoord door het geluid van een vliegtuig. Ik ontdekte dat ik gelukkig kon zijn - gelukkig op een manier die we in de stad niet meer kennen, omdat we elk ogenblik opgeschrikt worden door de telefoon en bovendien in de ban van de klok leven, als slaven. Gelukkig voelde ik me, wanneer ik ‘s morgens de zon zag opkomen achter de heuvels en bomen in plaats van achter de daken en muren van de stad; ik voelde me gelukkig weer tijd te hebben, omdat mijn rust door niets werd verstoord. Ik kon weer nadenken en dromen - en ik wilde alleen maar de grote lijn vasthouden, zoals Klein Duimpje zijn steentjes strooide om de weg aan te geven, of zeelieden hun log uitwerpen om de snelheid te bepalen. Wat ik opschreef, was alleen voor ons van belang - dat dacht ik tenminste. Het waren recepten, zinnen uit boeken, gezegden, kortom, een vreemd allegaartje. Maar ik was gelukkig en dat was te zien ook! Toen ik op een dag bij een van mijn zeldzame bezoekjes aan Parijs bij mijn vriend Jacques Peuchmaurd langsging, zei hij na een paar minuten plotseling: ‘Je ziet er gelukkig uit, je nieuwe leven bevalt je blijkbaar goed!’ En hij was zelf net zo verrukt over die opmerking als ik. Ik begon hem te vertellen over onze ervaringen en de veranderingen in onszelf. En terwijl ik zo aan het vertellen was, zaten we niet langer in een lawaaiig appartement in Parijs, maar waren we buiten en zagen de vlammen van de grote vuren als de wijnstokken verbrand worden en proefden de aardappels al die we in de hete as zouden poffen. We roken de geurige, groene soep die in het voorjaar zo goed en gezond is en we plukten samen armenvol kruiden om de winter goed door te komen. De telefoon onderbrak ons een paar keer, maar ik was zo ongevoelig geworden voor dingen die ik onbelangrijk was gaan vinden, dat ik met evenveel enthousiasme verder ging, zodra hij de haak op de hoorn had gelegd. Tenslotte merkte ik op: ‘Eigenlijk weten we niets meer van al die dingen die onze grootmoeders nog zo goed kenden.” ‘Daar heb je je titel,’ zei hij rustig. ‘Nu hoef je alleen.nog maar het boek te schrijven!’ Deze opmerking kwam zo onverwachts dat ik u eerlijk moet bekennen dat het nog lang duurde voor ik eraan durfde te beginnen. Nooit zal ik beweren dat ik een speciale gave heb geërfd op het gebied van planten, een soort ‘ingegoten kennis van kruidendrankjes’, waar ik dan van kindsbeen af vertrouwd mee zou zijn geraakt, omdat mijn ouders alle geheimen der natuur kenden! Dat is immers niet het geval en de werkelijkheid is bovendien veel wonderbaarlijker dan dergelijke fabeltjes. Mijn grootmoeder kwam van buiten, maar was naar de stad verhuisd, omdat haar dochter er woonde. Ze kende ook de huismiddeltjes die buitenmensen nu nog gebruiken. Zo maakte ze een tinctuur van leliebloemen om mijn schaafwonden te genezen en met bramesiroop, een kruidendrankje en mosterdomslagen ging ze mijn verkoudheden te lijf. Als het vakantie was, logeerde i