Het Zen-Boeddhisme is een levensweg, een levensbeschouwing die niet kan worden vergeleken met een van de conventionele categorieën van het moderne Westerse denken. Het is geen godsdienst en ook geen filosofie; het Is evenmin een psychologie of een soort wetenschap. Het Is wat In India en China erkend wordt als een ‘weg tot bevrijding’. Dit is het uitgangepunt van Alan Watts, een der grote Amerikaanse kenners van deze Oosterse denken zienswijze, die steeds meer belangstelling vindt In het Westen. ZEN-BOEDDHISME De interpretatie van het wezen van Zen in voor de Westerling toegankelijke begrippen is een moeilijke en delicate zaak, die de schrijver op originele wijze heeft aangepakt. Doordat hij de lezer telkens voor een schijnbaar zinloze Zen-uitspraak zet, tracht hij diens geest soepel te maken, zodat hem op een moment ‘een licht op kan gaan’. Daarnaast wordt het verschijnsel zoveel mogelijk in zijn culturele context geplaatst. Het is er de auteur nìict om te doen Zen-volgelingen te kweken. Hij voelt niets voor een ‘import’ van Zen uit het Verre Oosten waar het trouwens verstrengeld is met culturele instellingen die ons volkomen vreemd zijn. Maar ongetwijfeld kunnen we uit Zen een en ander leren, of afleren, en op de eigen manier toepassen. Zen heeft de grote verdienste zich uit te drukken op een wijze die èn voor de intellectueel èn voor de ongeletterde even begrijpelijk, of misschien even onthutsend is. Het biedt aldus communicatiemogelijkheden die door de Westerling nog niet werden geëxploreerd. Het heeft zóveel directheid, gloed en humor, zóveel zin voor het schone, tevens voor de non-sens, dat het terzelfdertijd tergend en verrukkelijk is. In de afgelopen twintig jaar is de belangstelling voor het Zen-Boeddhisme in stijgende lijn gegaan. Sinds Wereldoorlog IÌ is zij dusdanig toegenomen dat Zen zich tot een aanzienlijke kracht in het kunsten geestesleven van het Westen schijnt te ontwikkelen. Dit houdt ongetwijfeld verband met een uitgesproken enthousiasme voor de Japanse cultuur, wat één van de constructieve resultaten is van de jongste oorlog, maar misschien niet verder reikend dan een voorbijgaande mode. De diepere oorzaak van deze belangstelling dient wellicht gezocht in het feit dat het standpunt van Zen de ‘groeiende top’ van het Westerse denken zeer nabij komt, We moeten ons niet zo blind staren op de verontrustende en destructieve aspecten van de Westerse cultuur, dat we niet zouden zien dat ze tevens een scheppende op| gang is begonnen. In sommige nieuwe gebieden van de Westerse wetenschap, als bijv. psychologie, psychotherapie, logica, wijsbegeerte van de wetenschap, betekenis| leer en communicatietheorie zijn ongemeen boeiende ideeën en inzichten op de | voorgrond getreden. Misschien zijn enkele daarvan te danken aan suggestieve in| vloeden van Aziatische filosofieën, maar ik ben eerder geneigd het feit toe te schrijven aan parallellisme dan aan rechtstreekse invloed. We beginnen ons rekenschap te geven van dit parallellisme en de samenspraak kan niet anders dan stimulerend werken. Het Westerse denken is in deze eeuw zo snel geëvolueerd dat een grote verwarring is ontstaan. Niet alleen zijn er ernstige moeilijkheden in de betrekkingen tussen de intellectueel en het ruimere publiek: de opvattingen van gezond verstand, die aan de basis liggen van onze sociale instellingen en conventies, werden door de ontwikkeling van ons denken ernstig ondermijnd. Vertrouwde begrippen over ruimte, tijd, beweging, natuur en natuurwet, geschiedenis, sociale groei en menselijke persoonlijkheid hebben zich opgelost. We vinden ons zelf losgeslagen en zonder bakens drijvend in een universum dat steeds meer gaat lijken op de Boeddhistische ‘Grote Ledigheid’. De verschillende godsdienstige, wijsgerige en wetenschappelijke wijsheden van het Westen blijken in een dergelijk universum van weinig nut voor een levenskunst, en het vooruitzicht onze weg te moeten zoeken in zulk een baaierd van relativiteiten schrikt ons af. We zijn immers gewoon geraakt aan absoluten, aan stevige grondbeginselen en wetten waarop we kunnen steunen voor geestelijke en psychologische zekerheid. Dit is, denk ik toch, de verklaring voor de belangstelling in een cultureel productieve levenswijze welke zich, vijftien eeuwen lang, thuis voelde in de ‘Ledigheid’, die haar, verre van af te schrikken, een welbehagen is. Volgens de eigen woorden bevond Zen zich steeds in een toestand met: Boven, geen dakpan om het hoofd te beschermen, Onder, geen duimbreed grond voor de voet. Dergelijke taal zou ons eigenlijk niet zo vreemd in de oren moeten klinken, indien we werkelijk open stonden voor de betekenis van ‘vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft niets om het hoofd op te leggen’. Ik voel niets voor een ‘import’ van Zen uit het Verre Oosten waar het trouwens verstrengeld is met culturele instellingen die ons volkomen vreemd zijn. Maar ongetwijfeld kunnen we uit Zen een en ander leren, of afleren, en op de